Voorafgaand aan het paasfeest gaan we op zoek naar een goed restaurant

Een gezin heeft duur gedineerd in een sjiek sterrenrestaurant. Er blijft nogal wat over van het eten. De vader wenkt de ober en vraagt: “Kunt u de restjes in een zakje doen voor de hond?” “Hoi, hoi, hoi,” roept kleine Jantje, “we krijgen een hondje.”

Er zit een man in een restaurant en hij bestelt escargots. “Wilt u Franse of illegale?” vraagt de ober. “Franse of illegale?” vraagt de klant, “wat is het verschil?” Zegt de ober: “In de Franse zit er een slak in een huisje, in de illegale zitten d’r tien.”

Een man loopt over straat. Hij heeft enorme honger, maar heeft weinig geld. Hij gaat een restaurant binnen, kijkt op de menukaart en ziet dat hij net voldoende geld heeft om een bord soep te kunnen bestellen. Hij bestelt bij het dienstertje een bord soep, maar al hij het bord half leeg heeft gegeten, weet hij al dat hij straks nog steeds honger zal hebben. De man bedenkt hoe graag hij wat brood bij de soep zou willen eten. Desnoods maar een sneetje brood zonder boter. Hij besluit het dienstertje erom te vragen. Hij wenkt haar, en als zij aan komt lopen, vraagt hij: “Juffrouw, heeft u misschien een droog sneetje?” “Nee mijnheer,” zegt zij: “Dat zijn mijn schoenen die zo kraken.”

Theo eet tussen de middag vlug een hapje in een cafe-restaurant, de zogenaamde ‘daghap’. Vrij snel krijgt hij een bord voor zijn neus met biefstuk, aardappelpuree en doperwten. Het lijkt heel lekker, maar al gauw blijkt er van alles aan te mankeren. Hij zegt tegen de bediende: ‘Mijn biefstuk is als leer, de puree plakt aan mijn gehemelte – dat lijkt wel stijfsel en die doperwten zijn zo hard als knikkers…. roep de kok!’ ‘Ach meneer, die kan ik wel roepen maar die eet het ook niet op!’