weer

 Vandaag maar weer een wist je dat weetje…….

Hoe ontstaat regen?

Voor het leven op aarde is water heel belangrijk. Driekwart van het  aardoppervlak is met water bedekt. En dat water zit in een voortdurende  kringloop: het gaat van zee naar land, en van land naar zee. Binnen die  kringloop spelen regen, wolken en wind een belangrijke rol. De zon verwarmt het  aardoppervlak. Opgewarmd water verdampt, en de waterdamp stijgt op. Als lucht warm is, zet het uit en kan het véél waterdamp bevatten. Maar als het opstijgt  en afkoelt, kan de lucht weer veel minder waterdamp hebben. Een deel van de damp  verandert dan in waterdruppeltjes, en er ontstaat een wolk.

Deze overgang van  damp naar water heet ‘condenseren’, en dat gebeurt het eerst op vaste  oppervlakken. Dus ook op de stof- en roetdeeltjes in de lucht. Op die deeltjes  vormen zich minuscule waterdruppels, die zó klein zijn en licht dat ze zweven,  en wolken vormen. Maar soms botsen die druppeltjes en worden samen één grote  druppel. Als ze té groot en zwaar worden om te kunnen zweven, vallen ze naar  beneden als regen.

Als het koud is, kan water ook als sneeuw naar beneden komen.  Sneeuw bestaat uit kleine ijskristallen. Soms valt er een mengsel van sneeuw en  regen: natte sneeuw.

Een andere vorm van neerslag is hagel. Hagel ontstaat  als er sterk stijgende luchtstromen zijn. Regendruppels worden dan in de wolk  omhoog geblazen en bevriezen door de koude lucht. De druppels worden  hagelstenen. De zware hagelstenen vallen dan naar beneden. Maar de kleine en  lichte worden nóg een keer omhoog geblazen. Hagelstenen kunnen wel honderden  keren omhoog geblazen worden. En iedere keer krijgen ze een extra laagje ijs en  worden iets zwaarder. Als ze zwaar genoeg zijn, vallen ze op aarde, bij een  hagelbui.

Neerslag in een gebergte

De windkant van een gebergte heet de loefzijde. Aan de loefzijde wordt de lucht omhooggestuwd. Deze koelt af en brengt regen. Regen die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte noem je stuwingsregen.

Aan de andere kant ligt de lijzijde. De lijzijde is dus de kant die uit de wind ligt. De lucht daalt daar en wordt warmer. Aan die kant valt weinig of geen neerslag. Je kunt ook zeggen dat het gebied achter de bergen in de regenschaduw ligt.

Natte tropen, droge woestijnen

Bij de evenaar stijgt de lucht door opwarming op. De zon staat er loodrecht aan de hemel. Door de warmte stijgt de lucht en koelt af. Daardoor regent het veel in de streken rond de evenaar. Dat zijn stijgingsregens.

Op Wereldschaal zijn gebieden met stijgingsregens goed te herkennen. Er valt per jaar meer dan 2000 mm. Daar vindt dus ook het altijd vochtige tropisch regenwoudklimaat.

De lucht blijft niet stijgen. Op grote hoogte stroomt de lucht in noordelijke en zuidelijke richting weg. In gebieden tussen de 20 NB en 40 ZB daalt hij. Dalende lucht wordt warmer, waardoor het droog wordt. Het regent bijna nooit. Zelfs zo weinig dat er woestijnen zijn ontstaan.

Koufront en warmtefront

In West-Europa kan het weer nat en winderig zijn. Dat heeft te maken met lagedrukgebieden. Ook wel depressies, die zich van west naar oost verplaatsen. Zo`n depressie ontstaat boven de oceaan in het grensgebied tussen de verschillende luchtsoorten. Dat zijn grote hoeveelheden lucht uit de tropen of koude lucht uit de poolstreken. Zo`n botsingplek van warme en koude lucht heet een front. Een front kan zich honderden kilometers ver uitstrekken.

Bij het passeren van een koufront stroomt relatief koude lucht binnen. De zwaardere koude lucht dringt onder lichtere warme lucht. Het dwingt de warme lucht tot stijgen. Stijgende lucht koelt af en brengt regen. Dat zijn frontale regens.

Bij het passeren van een warmte front stroomt relatief warme lucht binnen. De warme lucht schuift over de koude lucht heen. Waardoor er, net zoals bij het passeren van een koufront, frontale regens ontstaan. Meestal regent het langdurig, maar minder hard dan bij het passeren van een koufront.