piet

 
Kopieëren naar word, uitvergroten en afdrukken
Vandaag een werkje om te kleuren, uit te knippen en een trekpop van maken! Zelf spitpennetjes en touwtjes aanmaken. (of opa en oma laten doen) 
 
 

Een verhaaltje……

De Piet in de koelkast

 
Op een avond riep Sinterklaas zijn Pieten bij elkaar. Hij had ze heel veel te vertellen over hoe je de moeilijke cadeautjes in moet pakken en waar je de schaar terug moet leggen en wat de Marsepeinpiet weer voor nieuwe figuren gemaakt had. Ze zaten in een grote kring, maar ze konden nog niet beginnen want een van de Pieten was er niet. Sinterklaas zei: “Weten jullie waar Frigidaro is?”

De Pieten keken elkaar aan en schudden hun hoofden. Nee, niemand wist waar Frigidaro was. “Laten we samen maar iets zingen,” stelde de Sint voor, “dan zal Frigidaro intussen wel komen.” En toen zongen ze: “Hoor de wind waait door de bomen…” Dat is het langste sinterklaaslied dat er is.

Maar toen ze het helemaal uit hadden, was Frigidaro nog steeds niet gekomen. Sinterklaas werd een beetje ongerust. Er zou toch niets gebeurd zijn? “We gaan hem zoeken,” zei hij. “Jij kijkt in de slaapkamer en jij op de zolder, en jullie tweeën gaan naar de tuin.”

In een mum van tijd waren ze allemaal aan het zoeken, ieder in een eigen hoekje van het paleis. Er werden deuren dichtgeslagen en heel hard “Frigidaro!” geroepen. Er kwam geen antwoord. Nee, de stem van Frigidaro was niet te horen, ook niet heel uit de verte. Het begon al donker te worden en het werd bedtijd. “Hebben jullie overal gezocht?” vroeg Sinterklaas. “Ja,” zeiden de Pieten en ze noemden alles op. Alle kamers! “Ook in de diepe kasten?” – “Ja, Sinterklaas.” – “En in de voorraadkamers?” Overal hadden ze gekeken. Toen kwam de Sint in de grote keuken. “En hier?” zei Sinterklaas. “Hebben jullie hier ook gezocht?” – “Ja, Sinterklaas, overal!”

Sinterklaas liet zijn ogen rondgaan, langs het fornuis, over het witte aanrecht. En toen zag hij de grote koelkast, de hele grote koelkast waar soep in kan voor wel vierentwintig Pieten. En ineens had Sinterklaas het gevoel dat Frigidaro vlak in de buurt was. “En daar?” wees hij.

“Maar Sinterklaas, dat is een koelkast! Wie gaat er nou in een koelkast zitten?” Sinterklaas liep ernaartoe, hij trok de deur open, het lichtje floepte aan en wie zat daar? Frigidaro! Helemaal bibberend en verkleumd. Op zijn zwarte haren lag een laagje wit en op zijn dikke wenkbrauwen glinsterden ijskorrels.

“Ik…kk…k, Sinterklaas, ik…k z…zit in de koelkast,” zei hij met een heel dun stemmetje.

“Ja, dat zie ik,” zei Sinterklaas.

De Pieten begonnen te lachen. Sinterklaas hielp hem eruit, zijn benen waren helemaal stijf. De Pieten begonnen zijn rug te wrijven en zijn schouders en toen werd hij gelukkig weer een beetje warm. De Sint zei: “Waarom heb je dat gedaan?”

“Ja,” zei hij, “Sinterklaas, ik wilde zo graag een goeie Piet zijn. Ik wilde zo graag mijn best doen. Vorig jaar, in het land waar u altijd uw verjaardag viert, was het zó koud. Zo koud dat er op een nacht allemaal witte dingen uit de lucht vielen.”

“Sneeuw!” riepen de Pieten.

“Ja, sneeuw en hagel. O, zo koud, Sinterklaas. En daarom dacht ik, ik ga in de koelkast zitten. Om te oefenen, begrijpt u? Maar het was zó akelig daarbinnen en er kwam steeds maar niemand.”

Een paar van de ijsbolletjes rolden langs zijn wangen naar beneden en het leken net tranen. Sinterklaas zei: “Geef Frigidaro maar eens gauw een beker hete anijsmelk.” Zijn tanden klapperden tegen de rand van de beker, maar gelukkig keek hij weer een beetje blij.

“Ik vind het fijn dat je graag een goeie Piet wil zijn,” zei Sinterklaas tegen hem, “maar dit is een beetje te veel van het goede.” – “Van het koude,” fluisterde Frigidaro. En toen bracht Sinterklaas hem naar bed en hij mocht zijn sokken aanhouden.

pinokkio

Vandaag het verhaal van
in een notendop
 

De film begint met Japie, een krekel, die op een nacht opduikt in een klein Italiaans dorpje. Hier is hij getuige hoe de speelgoedmaker Gepetto een houten pop maakt die hij Pinokkio noemt. Voor Gepetto die nacht naar bed gaat, wenst hij dat zijn creatie een echte jongen zou zijn.


Die nacht wordt het huis bezocht door een fee. Ze wil Gepetto’s wens vervullen, maar in plaats van Pinokkio gelijk tot een echte jongen te maken, brengt ze hem enkel tot leven. Ze vertelt hem dat hij met goede daden het recht zal moeten verdienen om een echte jongen te worden. Japie biedt zich aan om dienst te doen als Pinokkio’s geweten en hem op het rechte pad te houden. Als Pinokkio liegt of de waarheid niet spreekt, zal zij neus groter worden. Kort nadat de fee weg is, ontdekt Gepetto wat er is gebeurd en is dolgelukkig.

 

De volgende dag moet Pinokkio naar school maar onderweg komt hij een stel oplichters tegen: de antropomorfe vos Jantje Fatsoen en zijn helper, de kat Gideon. Hij laat zich, tegen Japie’s advies in, door hen overhalen om deel te nemen in het poppentheater van een zekere Stromboli, in plaats van naar school te gaan. Die avond geeft Pinokkio zijn eerste optreden en blijkt een groot succes te zijn. Stromboli toont nadien echter snel zijn ware aard: van het verdiende geld krijgt Pinokkio niets en hij wordt door Stromboli in een kooi gestopt. Japie en de Blauwe Fee bevrijden Pinokkio (na een paar leugens) uit de kooi, waarna Pinokkio wegvlucht uit de wagen van Stromboli.


Jantje Fatsoen en Gideon worden ondertussen ingehuurd door een koetsier, die wil dat ze voor hem op zoek gaan naar ongehoorzame jongens. Ze moeten hen overhalen mee te gaan naar Pleziereiland. De twee komen Pinokkio tegen die op weg is naar huis en sturen ook hem met de koetsier mee. Aangekomen op het eiland, dat bestaat uit een groot attractiepark waar iedereen mag doen en laten wat hij wil, blijkt dat er een addertje onder het gras zit: door hun gedrag veranderen de kinderen allemaal in ezels. Pinokkio begint ook te veranderen, maar kan het eiland ontvluchten voor hij geheel een ezel wordt. Hij houdt aan zijn avontuur enkel ezelsoren en een staart over.

 


Na een lange zwemtocht geraken Pinokkio en Japie terug op het vasteland. Ze haasten zich naar de werkplaats van Gepetto maar daar blijkt niemand thuis te zijn. Een duif (waarschijnlijk de Blauwe Fee in vermomming) brengt Pinokkio een brief waarin staat dat Gepetto de zee is opgegaan om Pinokkio te zoeken maar verslonden is door de walvis Monstro. Pinokkio en Japie gaan ook de zee op. Ze vinden Monstro en worden eveneens door hem verslonden. In zijn maag worden de twee herenigd met Gepetto, waarna ze samen een ontsnapping plannen. Door een vuurtje te stoken laten ze Monstro niezen zodat hij de boot met hen erop uitspuwt. Monstro zet de achtervolging op het groepje in. Pinokkio kan Gepetto en Japie in veiligheid brengen door hen door een gat in de rotsen te loodsen waar Monstro niet door kan, maar komt hierbij blijkbaar om het leven.


Japie en Gepetto keren met Pinokkio’s lichaam terug naar huis. Daar brengt de blauwe fee Pinokkio weer tot leven en verandert hem in een echte jongen.


bloot

Lady Godiva uit Coventry

Toen in het midden van de elfde eeuw op het grondgebied van graaf Leofric van Mercia, de Benedictijner Abdij werd opgericht, werd al gauw duidelijk, dat met de komst van deze abdij ook de hele omgeving veranderde. Kooplieden vestigden zich hier, het handwerk kwam tot grote bloei en het plaatsje Coventry – tot nu toe een gehucht met slechts hier en daar een gebouw – won zichtbaar aan glans en grootheid tot het bijna de status van een middeleeuwse stad had bereikt.


De vorst juichte deze verandering toe, maar tevreden was hij niet. Vastbesloten nam hij zich voor, zijn macht te versterken en door een krachtig beleid het aanzien en de betekenis van Coventry dermate te bevorderen, dat het zelfs een stad als Londen naar de kroon zou steken.


Zo gedacht, zo gedaan. Energiek begon hij de opbouw van het hele land en van Coventry in het bijzonder, ter hand te nemen. Zijn inspanning was zeker te prijzen geweest, als er niet één groot bezwaar aan had gekleefd. Voor zijn plannen had de vorst namelijk heel veel geld nodig. Maar omdat de bodem van zijn schatkist te zien was, moest hij op een andere manier aan het geld zien te komen. En wat was voor hem eenvoudiger, dan zijn onderdanen zulke hoge belastingen op te leggen, dat de arme mensen ten einde raad waren. Al gauw wist men in het hele land te vertellen, dat de koning iedereen het vel over de oren haalde en wee degene, die aan ’s konings belastinginners niet de verschuldigde som kon betalen!


De vorst bekommerde zich niet om het gepraat van de mensen, of hij deed alsof hij van niets wist. Hij wilde ook niet zien, dat zijn mooie en jonge vrouw, Lady Godiva, zwaar gebukt ging onder de klachten en moeilijkheden van de mensen.
En omdat het evenmin in hem opkwam, zijn beslissing ongedaan te maken, werd het mooie gezicht van de Lady al grauw ontsierd door fijne rimpeltjes, die van vele doorwaakte nachten getuigden.
Hoe onverschilliger de vorst werd voor de mening van zijn onderdanen, des te meer wijdde hij zijn aandacht aan zijn vrouw, die hij boven alles liefhad. Op een dag vroeg hij haar naar de oorzaak van haar zwaarmoedigheid.
Nadenkend antwoordde ze: “De mensen lijden. Wat heeft een grote stad voor nut, als degenen die er in moeten leven, zich eerst half dood moeten werken om de belastingen voor de bouw op te brengen. In de naam van God,” smeekte de Lady, “verlos die arme mensen van de belastingdruk. Ik weet, dat anderen al tevergeefs een beroep op je hebben gedaan en daarom smeek ik je, mijn verzoek niet af te wijzen.”


De vorst wilde zijn gemalin met een kluitje in het riet sturen, maar omdat hij tranen in haar ogen zag, ging hij bij haar zitten, streelde haar lange blonde haar en probeerde haar de hoge belastingen te verklaren: “De mensen klagen misschien wel, maar doen ze dat niet altijd? En wat betekent eigenlijk hun kleinzielig geklaag tegenover een groot en mooi Coventry, dat ons eens een roemrijke toekomst zal brengen. Kun je dat dan niet begrijpen? Kort en goed, ik heb geld net zo hard nodig, als jij het nodig hebt voor je kostbare kleren en sieraden, die je schoonheid pas goed tot haar volle recht laat komen.”
“Hoe moet ik dat opvatten,” vroeg de Lady. “Zonder kleding…”
“Zonder kleding en sieraden is jouw schoonheid niets waard!” beweerde de vorst, die zijn vrouw niet eens liet uitspreken. “De mensen buiten ons vorstendom zullen je zonder je kostbare gewaden nauwelijks als een edelvrouwe herkennen. En om precies dezelfde reden moet ik ook die hoge belastingen invoeren. Begrijp je het nu beter, lieve vrouw?”


De Lady haalde haar schouders op. Ze stond daar en dacht na. De nacht was al gevallen en de maan scheen boven het land.
Ze zei: “Het wil dus zeggen dat als ik morgen poedelnaakt door de straten zou gaan, je vergelijking ongegrond zou zijn en je de burgers de belasting zou moeten schelden.”
“Ja, voor mijn part,” bromde de koning en wilde het vertrek al verlaten om de bouwplannen te gaan beoordelen.
De Lady versperde hem echter de weg en zei met een ernstig gezicht: “Ik houd je aan je woord, heer. Morgen al zal ik naakt door Coventry’s straten schrijden, van het ene eind van de stad naar het andere. En jij zult hiervoor de belasting moeten kwijtschelden! Ik zal je tonen, dat ik meer respect heb voor werkende handen, dan voor alle ijdelheid. En misschien zal ik je hiermee ook kunnen bewijzen, dat niets werkelijke schoonheid kan schaden, dus ook geen naaktheid!”


Na deze woorden verwijderde de Lady zich en de koning, hevig geschrokken, greep ontzet naar zijn hoofd. Tevergeefs liep hij haar achterna, tevergeefs smeekte hij haar, de beslissing te herroepen, omdat hij zo’n ongelukkige vergelijking had gekozen. De mooie Lady hield voet bij stuk. En dus bleef de vorst niets anders over, dan bekend te laten maken wat zijn vrouw de volgende dag van plan was.
En zo gebeurde het ook. Toen de volgende dag klokken het middaguur luidden, reed de beeldschone Lady naakt op een schimmel door de straten van de stad. Alleen haar lange blonde haar bedekte haar sneeuwwit lichaam. Zonder schaamte reed ze op de schimmel, want ze was zich ervan bewust, dat geen levende ziel naar haar zou kijken. De mensen bleven achter de gesloten ramen en deuren in huis, want ieder van hen wist, waarom de Lady dit offer bracht.


Eenzaam draafde de schimmel door Coventry en eenzaam draafde hij weer terug, tot er, bij het licht getrappel van de paardenhoeven, in het laatste huis zachtjes een raam openging. Hier woonde bakker Tom, die zijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen.
Hij boog zich licht voorover, om de mooie Lady Godiva te zien. Maar toen hij de rijdster goed wilde bekijken, ging er een rilling door hem heen, de wereld verbleekte en in hetzelfde ogenblik werd hij blind. Niemand had dus Lady Godiva op de schimmel gezien, ook niet bakker Tom.
En de vorst? Hij ontsloeg de mensen van de belastingdruk, en hoewel hij ervan overtuigd was, dat Coventry nooit zo groot en belangrijk als Londen zou worden, behoorde het nog tijdens de Middeleeuwen tot de vier aanzienlijkste en beroemdste steden van het hele land.

Vandaag een

GASTSCHRIJVER:  

 

 

DE PLAKLETTERS

 

Het is alweer wat jaartjes terug dat ik  de school voor MA.O-onderwijs bezocht. Deze naam stond tenminste op de voorgevel van het gebouw. Regen en wind hadden overigens hun tol geëist en veel van de letters op winkels en gebouwen weggeblazen of weggespoeld.Van ons leerlingen overigens kwam weinig terecht, daar wij ook al op de .LEUTERSCHOOL gezeten hadden. Laatst was ik op een reünie met oud schoolgenoten en zag dat de naam nog steeds op de school stond. De .LEUTERSCHOOL was inmiddels veranderd in een school voor BA.IS-oderwijs….. (spreek dit niet hard op uit!).

Wie in onze tijd dan ook nog wat talenkennis op wilde doen kon langs de dijk terecht. Daar stond bij de visserij een bordje:  .IEREN en WO.MEN voor alle soorten .ENGELS te lezen.

 Ik dacht tijdens die reunie; ik loop nog eens een rondje door de plaats waar ik vroeger school ging,  kijken hoe het er nu bij staat…..

Naast onze school stond nog steeds de BANK VAN LENIN.! Gezellige combinatie! Wie zijn bankzaken daar liever niet laat behartigen kan terecht bij de .PAARBANK.  Wie een goed boek zoekt, wordt aangelokt door het opschrift FIJNE .LEESWAREN. Het pand ernaast heeft altijd al veel bekijks gehad, al geeft de naam .EX-SHOP aan dat de zaak opgeheven moet zijn. Voor haarverzorging moet men naar de .LOKKENMAKER, alhoewel er veel vrouwen zullen zijn die afgeschrikt worden door de DAMESKA.PER, die ernaast woont. Maar waarschijnlijk wordt deze wel in toom gehouden door de GRO..TEMAN die het pand ernaast betrokken heeft. Vrouwen die zwanger zijn kunnen terecht bij de BANK..BA.KER. Wie een huisdier wil, heeft ruime keus. Men heeft hier de DRA.KENSERVICE, de BO.KHANDEL en de .EGELBAAN.  Ook kleding wordt hier nog verkocht. Een klein pandje met opschrift: RO.KWAREN, heeft betrekking op verkoop van de wat eenzijdige kledingstukken. Al geeft het kleinere zinnetje eronder aan dat met PIJPEN EN ..GAREN, er voor mensen die handig met naald en draad zijn er nog meer van te maken valt.

De toestand van het dorp wordt nog steeds kernachtig samengevat op het bord CENTRALE VER.ARMING, te lezen op het pand van de plaatselijke LOOD..ETER. Maar het beroerdste staat de muziekwinkel ervoor. De eigenaar stond, bij gebrek aan klandizie, mistroostig door de etalage te kijken onder het opschrift: PLAT..ZA.K!!

 

 

(Met dank aan mijn jongste schoonzusje)